Openingstoespraak
van P. Generaal,
22 september
2000
Om te beginnen verwelkom ik u in Loyola voor deze
samenkomst, die de 34ste Algemene Congregatie belangrijk genoeg achtte om ze
verplicht te maken. We moeten hopen dat ze niet hetzelfde lot ondergaat als de
Congregatie van de provinciaals. Ingesteld door de 31ste Algemene Congregatie,
had die hier haar eerste ontmoeting in september 1990, maar ze werd afgeschaft
door decreet 23 van de laatste Algemene Congregatie. Als een soort troostprijs
evenwel, liet die op de afschaffing van de Congregatie van de provinciaals het
voorschrift volgen dat P. Generaal, ongeveer om de zes jaar na de laatste
Congregatie, een 'ontmoeting van alle provinciaals' moest organiseren, 'die de
situatie, de problemen en de intitiatieven van de gehele Sociëteit moest
bekijken, alsook de internationale en supraprovinciale samenwerking' (486).
Onze samenkomst valt binnen de tijdslimieten die het
decreet vooropstelt. De term 'alle provinciaals' werd geïnterpreteerd conform
de praktijk die geldt voor de deelneming aan Algemene Congregaties: alle
hogere oversten en de moderatoren van alle conferenties van provinciaals. De
assistenten van P. Generaal zijn ook aanwezig en ook, uitzonderlijk, de
secretaris van de Sociëteit, omdat zijn hulp onmisbaar is. Geen andere
officiales van de Curia zijn aanwezig, en evenmin de secretarissen van de
onderscheidene sectoren.
Deze bijeenkomst heeft noch de traditie, de
'formula', noch de wetgevende macht van een Congregatie. Ze is een unieke kans
voor allen die verantwoordelijkheid dragen voor de Sociëteit, om elkaar te
leren kennen, om de banden van wederzijdse hulp en apostolische samenwerking
aan te halen, om initiatieven en ervaringen uit te wisselen. Ze biedt vooral
de gelegenheid om interprovinciale verbanden te versterken en om die
inspanningen opnieuw op te nemen met het oog op een betere apostolische efficiëntie
op het supraprovinciale niveau.
Deze bijeenkomst kan de taak op zich nemen die door
decreet 21 van de laatste Congregatie aanbevolen wordt als terrein van
samenwerking tussen provinciaals en moderatoren: 'de voornaamste noden van de
universele Kerk' onderscheiden en 'wereldwijde en regionale prioriteiten'
vastleggen waaraan 'aandacht moet worden geschonken, als conferenties en
provincies hun respectieve prioriteiten vastleggen' (461).
Om het werk te vergemakkelijken en om te voorkomen
dat we geen duidelijke doelstelling zouden hebben, werd een 'coetus praevius'
(een voorafgaande werkgroep) samengesteld. Die legde, in nauwe samenwerking
met de Generale Curia, een aan de deelnemers te overhandigen agenda vast en
bereidde enkele documenten voor omtrent punten die we zouden moeten
behandelen. De agenda laat ruimte voor ontmoetingen tussen personen of tussen
assistenties, en voor aanbevelingen die het centraal bestuur van de Sociëteit
kan overnemen. Omdat dit overigens alleen maar een ontmoeting is, kunnen er
bij de procedure vragen worden gesteld en kan die worden gewijzigd, zonder de
restricties en de voorafgaande voorwaarden die gelden voor de verschillende
'Congregaties'.
CREATIEVE TROUW
Niet toevallig vindt deze bijeenkomst plaats in
Loyola. Het leek duidelijk dat Rome, overspoeld door de pelgrims van het
jubileumjaar, niet de aangewezen plaats was om gastvrijheid te bieden aan zulk
een samenkomst. De keuze voor Loyola heeft daarenboven een positieve betekenis
voor de Sociëteit: ze drukt uit dat deze terugkeer naar onze wortels een
zoektocht is naar een nieuw vertrekpunt, naar een trouw aan de ervaring van
Ignatius die tegelijk creatief is.
Of we al dan niet het modewoord 'herstichting'
gebruiken, heeft geen belang. Dat woord betekent alleen dat het godgewijde
leven niet geroepen wordt om te herhalen wat de stichter deed, maar om te doen
wat die vandaag zou doen: in trouw aan de Geest tegemoetkomen aan de
apostolische noden van onze tijd. Maar in werkelijkheid is dat modewoord méér
dan dat maar alleen: het wijst op een malaise omtrent het feit dat er iets
niet goed werkt, op het gevoel dat er een scheiding is tussen het verlangen om
Christus te volgen en de wijze waarop we het geestelijk erfgoed van onze
stichter in werkelijkheid beleven. We voelen aan dat onze inspanningen tot
vernieuwing en aanpassing aan de moderne cultuur onvoldoende zijn, dat we
radicaler moeten zijn, zowel door gelovig terug te keren naar onze oorsprong
als door te letten op de uitdagingen van nu, en op alles wat dat van ons
vereist om de ervaring van onze stichter te beleven, hier en nu.
Die passie voor God en zijn koninkrijk, die ons noopt
tot 'moedig nieuw ondernemend initiatief, tot de creativiteit en de heiligheid
van de stichters en stichteressen, in antwoord op de tekens van de tijd die te
bespeuren zijn in de huidige wereld' (V.C. 37) wensen we te vertalen in
ignatiaanse taal. Dan is het beter dat we het idee van 'herstichting' laten
varen, gezien de dynamische geaardheid van de ignatiaanse spiritualiteit. Ons
beeld van Ignatius is niet dat van een stichter die bouwt op stevige en
duurzame funderingen. Hij is voor ons eerder een animator en inspirator die
ons zendt naar één van de mogelijke wegen naar God. Als 'herstichting'
betekent een fundering te geven of te herstellen voor godgewijd leven, moeten
we erkennen dat voor Ignatius de stichting van de Sociëteit geen wetgeving
was, geen doctrine, geen organisatieschema. Het was een bron van levend water
die door geestelijke onderscheiding voortdurend opnieuw ontspringt, die ons
verfrist en kracht geeft voor een grotere dienst aan God en aan zijn
koninkrijk van liefde.
Daarom gebruikte Ignatius, toen hij zijn ervaring
vastlegde in de Constituties, zo vaak werkwoorden van beweging: 'We achten het
noodzakelijk dat er constituties worden geschreven om ons te helpen om, in
overeenstemming met ons Instituut, meer vooruitgang te maken op het pad van de
dienst Gods dat we hebben ingeslagen' [134]. Onze trouw is ingebed in de
creatieve ervaring van Ignatius, die 'een betrouwbaar pad naar God' is, dat
hij ons wilde zien bewandelen [582]. Onze creativiteit is gebaseerd op onze
'modus procedendi', onze wijze van handelen, die elk van ons uitnodigt om te
'onderzoeken wat het meest kan helpen om het doel van de Sociëteit te
bereiken' [803], 'opdat in alles God onze Heer en de Apostolische Stoel beter
gediend zullen worden' [612].
Als we dus onszelf onderzoeken omtrent die creatieve
trouw (of 'herstichting') dan luidt de eerste vraag: is mijn leiding over de
provincie of regio die de Heer van de oogst me heeft toevertrouwd, ingegeven
door de zorg om bestaande apostolische werken te behouden, om de 'onzen'
gelukkig te houden, en door een context van immobilisme of sluipende
ontmoediging? Of wordt die leiding 'gedragen door het verlangen om de
goddelijke Majesteit te dienen' [540] en 'vooruit te gaan in de grotere dienst
van God' [281, 424, 565]? Gaan we over tot nieuwe initiatieven met de mensen
die de Heer ons geeft, of zijn we goede administratoren zonder geestelijke
bewogenheid, zonder beroerd te worden door de Geest (G.O. 6)? Zijn we
misschien ongevoelig voor wat geboren wordt in de Kerk en in de wereld? Spoort
dat ons aan tot bepaalde initiatieven en activiteiten? Ongetwijfeld kan gezegd
worden, een tikje de zorg overdrijvend die Ignatius uitsprak, dat we een
provincie moeten wantrouwen die door de provinciaal als rustig en sereen wordt
bestempeld. Die provincie zou beter wakker schieten en iets nieuws ondernemen
tot Gods meerdere eer.
Ignatius kende de uitdrukking 'creatieve trouw' niet.
Maar de apostolische spanning die daarin wordt uitgesproken, legt de
identiteit vast van het apostolisch korps van de Sociëteit, vanaf het begin
tot nu toe.
TROUW AAN DE SOCIETEIT
Om te beginnen: trouw aan het geschenk dat de Geest
in de Sociëteit van Jezus aan de Kerk in de wereld heeft gegeven. Ignatius
was daar diep bewust van toen hij schreef: 'De Sociëteit werd niet opgericht
met menselijke hulpmiddelen en kan daardoor ook niet in stand worden gehouden
en aangroeien' [812]. De Sociëteit is aan ons, hogere oversten, op een
duidelijke en welomschreven wijze toevertrouwd. Maar we besturen de Sociëteit
niet volgens onze persoonlijke invallen en onze eigen inspiratie, zelfs niet
de beste. De gehoorzaamheid die we als beleidvoerders kunnen en moeten vragen,
hangt af van onze trouw aan het geschenk van de Geest dat de Sociëteit is,
'steunend op God onze Heer, die ze dient' [555] en uitsluitend gericht op 'het
dienen van zijn goddelijke en allerhoogste Majesteit' [190].
Er zijn in de Kerk veel andere wegen naar God, veel
andere spiritualiteiten, oude en nieuwe. Maar als de Heer ons heeft geroepen
om 'ingelijfd te worden in de Sociëteit' [59], wat veel meer is dan aan te
sluiten bij een of andere vereniging, dan sluit de trouw aan dit apostolisch
korps elke vorm van dubbele loyauteit uit. Die trouw roept ons op om het
geschenk van de Geest te leren kennen en er nauwgezet mee te werken. We doen
dat door de ervaring van Ignatius en zijn eerste gezellen te onderzoeken, door
te onderscheiden hoe we ons rijke geestelijk erfgoed vandaag vruchtbaar kunnen
maken. We worden daarbij voortdurend gevoed door de Geestelijke Oefeningen,
door onze lange en veelzijdige apostolische traditie en door onze eigen wijze
van handelen, die de dynamiek van ons apostolisch religieus leven op gang trok
en doet voortbestaan. Maar dat mag er ons nooit toe brengen ons hooghartig op
te sluiten in een soort koppige 'restauratiedrang'. Het komt erop aan dat we
het geschenk dat de Geest ons heeft toevertrouwd tot dienst aan de wereld,
vruchtbaar maken door middel van 'alle goede werken die God onze Heer door de
hele Sociëteit tot stand wil brengen tot zijn grotere dienst en lofprijzing'
[114].
We mogen diep geloven in dialoog en partnerschap en
dankbaar zijn dat we leven in een maatschappij die zo rijk is aan
pluralistische diversiteit. Maar we moeten de werkelijkheid onder ogen zien:
we zullen niets bijbrengen aan deze maatschappij of die dialoog, als we niet
zelf doordrongen zijn van het ignatiaanse charisma. Niet om dat mechanisch te
herhalen, maar om het hier en nu te herscheppen ten dienste van Kerk en
wereld. Om die reden moeten we erop aandringen dat de kenmerken van dat
charisma onze hele vorming doortrekken, de aanvankelijke en de voortgezette.
Daarom moeten we erover waken dat onze manier van bidden en werken, van
onderscheiden en besturen, het geschenk weerspiegelt dat de Geest ons
toevertrouwt voor zijn Kerk in de wereld van vandaag.
TROUW AAN DE ZENDING
Trouw aan God, de levensbron van de Sociëteit [134],
roept de vraag op: Waarom wenste de Heer de Sociëteit op te richten? Wat is
de bestaansreden waar we trouw aan moeten blijven? Of, eenvoudiger, wat
betekent het jezuïet te zijn? De 32ste Algemene Congregatie heeft die vraag
opgeworpen en beantwoord: 'Het is weten dat we zondaars zijn, en toch geroepen
om gezellen van Jezus te zijn zoals Ignatius, die de heilige Maagd vroeg hem
te plaatsen bij haar Zoon, en dan de Vader zag, die de kruisdragende Jezus
vroeg die pelgrim in zijn gezelschap op te nemen' (11).
Die gelukkige en inspirerende verwijzing naar La
Storta spreekt goed uit waartoe we geroepen zijn. Maar de Algemene Congregatie
liet het daar niet bij: ze koos ervoor zich te verbinden tot de strijd voor
geloof en gerechtigheid. Die verbintenis beschouwde ze als het essentiële
kenmerk van wat jezuïeten vandaag zijn en doen. Daarna vond de Algemene
Congregatie een woord terug van Ignatius, wiens apostolische ervaring daaraan
een nieuwe betekenis had gegeven: zending. 'Een jezuïet is daarom in wezen
een man met een zending, die hij rechtstreeks van de paus en van zijn oversten
ontvangt, maar uiteindelijk van Christus, die zelf door de Vader gezonden was.
Doordat hij gezonden wordt, wordt de jezuïet een gezel van Jezus' (24).
Als Ignatius het woord 'zending' gebruikte, gaf hij
het zorgvuldig die precieze betekenis. Vandaag ligt de klemtoon bijna
uitsluitend op diegene naar wie men gezonden wordt; maar voor Ignatius gaat
het hoofdzakelijk over diegene die zendt. In zijn tijd werd het woord
'zending' nog niet gebruikt in de zin van verspreiding van het geloof en
evangelieverkondiging. Toen Ignatius zich in 1540 aanbood aan Paulus III,
sprak hij de wens uit om gezonden te worden, zijn beschikbaarheid om in elke
plaats de Heer te volgen, die gezonden is om het koninkrijk van God te
verkondigen, ook vandaag, in 'synagogen, dorpen en steden' (G.O. 91). De
laatste Congregatie vatte het woord 'zending' op een welbepaalde wijze op en
belichtte haar drie dimensies: onze zending en de cultuur, onze zending en de
gerechtigheid, onze zending en de interreligieuze dialoog. Ze onderstreepte
ook wat we zijn: dienaars van Christus' zending. In haar decreet 26 vat ze
onze karakteristieke manier van handelen samen: ons 'ideaal is een
onvoorwaardelijke toewijding aan de zending, vrij van alle werelds voordeel en
vrij om alle mannen en vrouwen te dienen. Onze zending wil ook diezelfde
missionaire geest scheppen bij anderen' (558).
We moeten het erkennen: trouw aan de dienst van
Christus' zending plaatst ons, als missionair korps, in een delicate situatie
en voor moeilijke opdrachten. Vooreerst: als elk van ons een apostolisch plan
voor de provincie zoekt te ontwerpen en de toekomst van onze werken plant,
houdt hij daarbij vanzelfsprekend rekening met de bestaande mogelijkheden en
de beperkte middelen. Maar de trouw aan het ignatiaanse charisma noopt ons tot
het maken van apostolische keuzes in het licht van de dienst die we moeten
bewijzen -- 'de grotere dienst' [623] om 'de zielen te helpen hun
bovennatuurlijk einddoel te bereiken' [813], 'waarvoor ze geschapen werden'
[307], 'met altijd ons doel van het grotere en universele goed voor ogen'
[466].
Vervolgens: als we van Ignatius willen leren hoe we
dat grotere universele goed concreet moeten maken, hoe we de concrete middelen
moeten kiezen voor de dienst van Christus' zending, merken we dat de
Constituties altijd op een open horizon gericht zijn, op een perspectief dat
nooit definitief vastligt. Ignatius laat zich nooit vastleggen op één enkel
werk of op één enkele plaats. Hij maakt zijn voorkeur bekend voor die of die
concrete vorm van dienst, hij schetst zelfs iets als een rangorde, waarbij
prioriteit wordt gegeven aan de directe dienst van Gods woord, aan het helpen
van mensen om tot een persoonlijke ontmoeting te komen met hun Heer, Schepper
en Verlosser. Maar desondanks legt hij niet voortijdig de modaliteiten vast
van de dienst. Het blijft een dienst in het algemeen, waarbij de trouw aan het
ignatiaanse charisma ons stuwt om voortdurend vindingrijk te zijn, altijd in
beweging, want altijd valt er een grotere dienst na te streven.
Het zou heel nuttig zijn als we een lijst hadden met
concrete manieren om de dienst van Christus' zending te verrichten, iets als
een volledige opsomming, zoals provincieplannen die soms proberen uit te
werken. Maar de weg die Ignatius ons aanwijst is een keuze van ministeries,
die voortkomt uit een passie voor Christus' zending, die vandaag moet worden
voortgezet, en tegelijk uit een bevrijdende indifferentie met aandacht voor
alle concrete vormen van dienst. Zo zullen we in staat zijn te kiezen voor die
vorm die, in de gegeven omstandigheden van Kerk en wereld, de grotere dienst
is. Als een apostolisch plan niet in dat spanningsveld staat, kan het een
hogere overste niet leiden bij zijn keuze. De vruchtbaarheid van een plan
hangt veel minder af van het aantal jezuïeten dan van hun menselijke en
geestelijke kwaliteit. Te vaak missen apostolische plannen de echte
'indifferentie'; ze proberen iedereen tevreden te stellen en houden in leven
wat ze zouden moeten opofferen met het oog op een groter goed; ze scheppen
geen ruimte voor de vrije keuze van opkomende generaties; die moeten zich
kunnen wijden aan de apostolische dienst die de toekomst laat vermoeden.
Ongetwijfeld hebben daarom een aantal procuratoren tijdens de Congregatie van
september jongstleden hun indruk uitgesproken dat hogere oversten niet wisten
waar ze heen wilden en zich beperkten tot het afhandelen van zaken van
alledag; ze doen hun voordeel met kansen die zich toevallig aanbieden en
verwaarlozen wat ze niet aankunnen.
Die indruk en dat oordeel van sommige procuratoren
houdt geen rekening met het feit dat bij een zending alleen hij die zendt de
weg kent en uitstippelt die de gezondene moet volgen. Trouw bestaat erin Gods
tempo te volgen, dag na dag, met voldoende uit onderscheiding gegroeide visie
om voorwaarts te blijven gaan, en met voldoende flexibiliteit om nieuwe paden
in te slaan, als de Geest ons leidt waarheen en zoals hij het wil. In ieder
geval hebben de jezuïeten die de Heer ons heeft toevertrouwd, het recht om op
missie gezonden te worden. De jaarlijkse rekenschap van geweten blijft het
geprivilegieerd moment waarbij ieders persoonlijke zending -- en dat is méér
dan werk alleen -- geïntegreerd kan worden in het apostolisch plan van de
provincie. Uiteindelijk hangt alles af van de missionaire geest -- in de
ignatiaanse betekenis van die term -- die de provincie en al haar leden
bezielt. Daarom moeten we, als mensen met een officiële verantwoordelijkheid
belast, ons afvragen wat er gedaan moet worden opdat de Sociëteit haar trouw
aan de ervaring van Ignatius in La Storta verheldert, verdiept en concreet
uitwerkt. Die ervaring moeten we hier en nu beleven in de dienst aan Christus'
zending.
CREATIVITEIT VOOR HET 'MAGIS'
Ignatius zou wellicht verbaasd zijn geweest over de
term 'creatieve trouw'. In zijn spiritualiteit van het 'magis' behoort
creativiteit tot de wezenskern van de trouw in het volgen van de Heer die
altijd onderweg is. De Constituties -- die zijn opgesteld als een weg van
progressieve inlijving in het apostolisch korps van de Sociëteit -- geven
blijk van Ignatius' gevoeligheid voor nieuwe uitdagingen, nieuwe noden, nieuwe
eisen in onze omgang met veranderende nationale en internationale
omstandigheden en met verschuivende kerkelijke en culturele situaties. Achter
Ignatius aan zal elke zoon van de Sociëteit altijd handelen en reageren op
een samenhangende jezuïtische en ignatiaanse wijze, zelfs in de meest
onverwachte omstandigheden (A.C. 34, 562). Want als de jezuïet bij de zovele
complexe uitdagingen en kansen van de huidige wereld Gods tekenen van de tijd
onderscheidt, dan ontdekt hij een apostolische behoefte aan creativiteit. De
laatste Congregatie -- wellicht met een tikje overdrijving ten opzichte van
onze reële beleving -- stelde dat 'jezuïeten nooit tevreden zijn met het
status-quo, met wat al bekend en geprobeerd is, met wat al bestaat. We worden
er voortdurend toe gedreven om te ontdekken, te herdefiniëren, naar het
'magis' te grijpen. Grenzen en afbakeningen zijn voor ons geen hinderpalen of
eindpunten, maar nieuwe uitdagingen waar we op ingaan, nieuwe kansen die we
grijpen. We zijn vervuld van een heilige stoutmoedigheid, een zekere
apostolische agressiviteit, die typisch is voor onze manier van handelen'
(561).
Zo ziet creatieve trouw in ignatiaanse zin eruit,
althans in principe. Sommigen van ons, of wellicht wij allemaal zullen die
missionaire geest die altijd uit is op het 'magis', moeilijk terugvinden in de
eigen provincie. Toch zal het voor ons lonend zijn een aantal aspecten van die
creatieve spanning te belichten, om zo beter de geestelijke toestand van de
Sociëteit te kennen en die met elkaar te bespreken.
CREATIVITEIT IN
DE SPANNINGEN
VAN HET
LEVEN
Want als we trouw willen blijven aan het ignatiaanse
charisma, moeten we ons blootstellen aan een reeks spanningen die Ignatius
invoerde in het godgewijde leven en die dat vruchtbaar maken: contemplatie in
de actie, universele beschikbaarheid en inculturatie die altijd plaatsgebonden
is, de gratuïteit van onze zending en de middelen waarover we beschikken voor
het apostolaat, de Geest die inspireert en de Geest die spreekt door de Kerk,
gemeenschappelijke onderscheiding en gehoorzaamheid, solidariteit met de
armsten en opvoeding van de elite van morgen, het verlangen naar talrijke
roepingen en de onontkoombare schaarste aan mensen die op de eisen van onze
jezuïetenzending ingaan. Het zou niet moeilijk zijn de lijst te verlengen van
die spanningen die ons apostolisch leven storend kenmerken. Dat leven leiden
we in de wereld en in het hart van de mensheid, zoals de apostelen van de
Heer.
Hier in Loyola kunnen we ons dankbaar herinneren dat
Ignatius duidelijk was over de noodzaak van een evangelische radicaliteit die
belichaamd werd in bepaalde vormen van breken met de wereld. Maar de Geest
inspireerde hem ook tot een godgewijd leven dat die radicaliteit uitdrukte in
een verbondenheid met hen die in de wereld zijn, in de naam van de Heer die
'hen tot het einde toe heeft liefgehad' (Joh 13.1). Het was een verbondenheid
'in de dienst van God onze Heer door zielen te helpen die Hem toebehoren'
[204] en ze moest 'alle soorten mensen omvatten om ze te dienen en te helpen
in de Heer' [163]. Ignatius weet dat die aanwezigheid in de wereld risico's
meebrengt. De spanningen die inherent zijn aan ons apostolisch godgewijd
leven, geven gemakkelijk aanleiding tot compromissen en dubbelzinnigheden, die
onze zending scheeftrekken en ze onwerkzaam maken. In Ignatius' geest kan de
aandacht van de Sociëteit voor God niet gescheiden worden van de aandacht
voor hen die in de wereld zijn. Het ene kan niet zonder het andere. De hele
apostolische radicaliteit drukt zich uit in de kracht waarmee ze de
onvermijdelijke spanningen tussen haar trouw aan God en haar trouw aan hen die
in de wereld leven, als creatieve spanningen beleeft. De zichtbaarheid van de
Sociëteit kan niet voortkomen uit een radicale breuk met de wereld; het gaat
veeleer om een aanwezigheid. En die aanwezigheid moet leven, spreken en
handelen; ze moet zich blootstellen aan de pijn en de vragen van mannen en
vrouwen in de wereld; ze moet solidair zijn met hen in hun vreugde en pijn, in
hun hoop en hun ellende; dat alles in de naam van een Heer die hen tot het
uiterste liefheeft met een liefde die kuis is, arm en gehoorzaam.
Voor Hem en voor hen verdragen we al die spanningen;
ze zouden ons leven en onze zending vruchtbaar en creatief moeten maken, maar
ze kunnen ons ook verlammen en verdelen. Dat zal gebeuren als we het niet
aandurven voedsel te vinden in de vragen die de wereld stelt en in de twijfels
die het godsvolk ondervindt. We moeten die vragen en twijfels met durf onder
ogen nemen om te onderscheiden wat er te doen staat en welke keuzes nodig
zijn. Het is onze taak te zien of er, in onze provincies en op
interprovinciaal niveau, ruimte is voor biddende onderscheiding, open dialoog
en uitwisseling. Zo zullen we samen onze weg vinden en de spanningen verwerken
die deel uitmaken van onze zending. Het is ook onze taak te onderzoeken in
welke mate we de mensen in de wereld zullen informeren over wat er op het spel
staat in onze discussies, zodat we hen het evangelie verkondigen bij tij en
ontij of onrecht aanklagen in solidariteit met hen en ten bate van hen.
DE SPANNING : UNIVERSEEL OF LOKAAL
In deze bijeenkomst van alle hogere oversten zou één
spanning ons speciaal moeten interesseren. Tijdens zijn reis naar Georgië
vorig jaar sprak Johannes-Paulus II over de spanning die het volgende
millennium zal beheersen: die tussen de globalisering die aan de gang is en de
lokale realiteiten die op het spel staan. Op veel niveaus, van economie tot
religie, wordt de wereld meer en meer een 'global village'. In de sector van
de informatica maakt de globalisering het mogelijk snel te weten wat er in de
wereld gebeurt; dat lokt veelal een reactie uit van wereldwijde solidariteit.
Op religieus gebied worden oecumenisme en interreligieuze dialoog haast
onvermijdelijk. Want de groeiende eenheid van de mensheid, die een verheugende
zaak is vanuit menselijk en goddelijk perspectief, moet ook op het religieuze
vlak mogelijk zijn. Immigratie en emigratie, toerisme en vrijwilligerswerk,
wetenschappelijke research en analyse van de moderniteit, dat alles laat ons
een mensheid zien die in beweging is. Immobilisme en sektarisme worden
daardoor anachronistisch. Op het politieke niveau ontdekken landen hun
wederzijdse afhankelijkheid; ze sluiten zich aaneen om de wereldwijde
uitdagingen aan te pakken. Het 2de Vaticaans Concilie, gestuwd door de Geest,
heeft de Kerk herontdekt als een communio in de Geest, die zich bekommert om
alle kerken en openstaat voor de Geest, die werkt in de hele mensheid en het
hele universum vervult.
Johannes-Paulus II begroette die groei naar
globalisering als een kans tot meer broederlijkheid, maar hij onderstreepte
ook de negatieve aspecten ervan. Globalisering riskeert het respect voor
culturen, naties, talen en individuele personen aan te tasten. De economische
globalisering wordt eerder negatief beoordeeld: een wereldwijde markteconomie
werkt niet in het voordeel van iedereen. Ze zorgt voor haar eigen ontwikkeling
en maakt zo de rijken rijker en de armen nog armer. De globalisering moet dus
op haar positieve en haar gevaarlijke aspecten bekeken worden.
De visie van Ignatius was ronduit globaal: 'Onze
roeping is het de wereld door te gaan en te leven op eender welke plaats'
[304]. Omdat hij het universele goed voor ogen had, dat altijd het grotere
goed is, kon zending voor Ignatius niets anders zijn dan de zending van een
universeel apostolisch korps, begiftigd met totale apostolische
beschikbaarheid. Zelfs als we zorgen voor een klaar afgebakend hoekje van de
wijngaard des Heren, vraagt ons het ignatiaanse charisma ons daarin niet op te
sluiten, ons niet af te zonderen van het universele korps van de Sociëteit.
We zullen integendeel altijd werken vanuit het perspectief van een zending,
die de zending van Christus voortzet en verruimt, en zullen dus altijd bereid
zijn de hele wereld te omhelzen. We zullen ook openstaan voor de veelzijdige
gratuïteit van de gave, waarin God zichzelf geeft aan de hele mensheid in en
door Christus. In die geest zullen we de interprovinciale en supraprovinciale
samenwerking moeten versterken. Het zou jammer zijn als alleen het tekort aan
gekwalificeerde mensen of de complexiteit van onze instellingen ons tot
samenwerking zou dwingen. We moeten interprovinciale en supraprovinciale
structuren opzetten of versterken als uitdrukking van onze eenheid van geest,
van de solidariteit en de cohesie van één universeel apostolisch korps in
dienst van de universele Kerk midden in de wereld.
DE SPANNING VAN DE SAMENWERKING TUSSEN PROVINCIES
Eén spanning moeten we concreet beleven. We moeten
universeel denken, maar ons werk gebeurt op particuliere plaatsen, binnen
lokale situaties. We kunnen niet kiezen tussen het universele en het lokale:
we moeten de spanning doorleven tussen het universele en het particuliere
goed. Maar het hangt wel van ons af of die spanning destructief zal zijn, of
vruchtbaar ten bate van de mensheid. Ignatius heeft niet geaarzeld de Sociëteit
te confronteren met die apostolische spanning: hij eiste universele
beschikbaarheid en tegelijk de kennis van taal en cultuur van het kleine
plaatsje waar de Heer van de wijngaard zijn missionaris heen zond. In de geest
van Ignatius moet universaliteit niet tot uniformiteit leiden, wel tot
eenheid, tot een gemeenschap in de Geest, die van de rijke en verbazende
diversiteit van lokale kerken, van theologische scholen en stromingen van
spiritualiteit, van culturen en talen, van roepingen tot een leven als leek,
als priester en godgewijde, één pinkstergebeuren maakt.
De bekoring bestaat, dat weten we allemaal, om die
eenheid toe te vertrouwen aan een centrale administratie: een eenheid die
opgelegd wordt en de ware broederlijkheid in de zending vervangt. Maar onze
zorg voor het universele, die vertrekt vanuit het particuliere waar we
verantwoordelijk voor zijn, zou ons moeten aanzetten tot het creëren en
ontwikkelen van interprovinciale en supraprovinciale initiatieven. Die zullen
de eenheid bevorderen, de communio over en weer, gemeenschappelijke visies en
deelneming aan gemeenschappelijke projecten; zo zullen we de gezamenlijke
zending vervullen die de Heer ons heeft toevertrouwd.
Hoe weinig we ook beschouwd mogen worden als een
gestructureerde federatie van provincies, toch zetten de Constituties, ondanks
de schijn van het tegendeel, de deur wijd open voor conferenties van hogere
oversten, die hun apostolische perspectieven en hun werkwijze verruimen. In
dit millennium zullen die conferenties de spanning moeten verwerken tussen een
universaliteit die particulariteit respecteert, en lokale realiteiten die
individualisme, fundamentalisme en andere '-ismen' moeten vermijden. Daar
wacht ons een nieuwe zending.
MANIFESTATIES VAN
CREATIVITEIT
De Algemene Congregatie heeft gevraagd dat deze
bijeenkomst de situatie, de problemen en de initiatieven van de universele
Sociëteit zou bekijken (A.C. 34, 486). Daarom wil ik hier tot slot aanduiden
hoe creatieve trouw zich manifesteert in de Sociëteit en in het hele
godgewijde leven, waar de Sociëteit deel van uitmaakt.
Om te beginnen: we moeten dankbaar erkennen wat al
jaren is gedaan en nog altijd met groot nut gedaan wordt in verband met de
terugkeer naar onze bronnen. De resultaten daarvan maken het ons als jezuïeten
mogelijk open te staan voor de uitdagingen van de toekomst. Het is onze taak
die resultaten bekend te maken binnen de Sociëteit en bij allen die
inspiratie zoeken in deze 'gift van de Geest' aan de Kerk.
Ten tweede: we moeten aandacht schenken aan de over
het algemeen positieve houding betreffende problemen die samenhangen met de
recrutering van roepingen, met de opneming in de Sociëteit en de volharding,
met de toenemende wankelheid van ons institutioneel werk, met de afnemende
kwaliteit van ons dienstwerk, met de toename van ziekte, vermoeidheid,
vergrijzing of ongevallen. Die positieve benadering is merkbaar in de
volledige integratie, zoals Ignatius dat wilde, van hen die zich aanmelden
voor de zending in de Sociëteit, en ook in een meer geprononceerde vorm van
roepingenpromotie. Dat laatste gebeurt vooral door het gebed dat de Heer van
de oogst nieuwe arbeiders zendt, en door de uitnodiging van de Heer over te
nemen: 'Kom en zie'. Dat doen we door ons in te spannen om ons godgewijd leven
authentiek te beleven en door open te staan voor wat de Geest tot ons zegt via
de verwachtingen van de jongeren; zij zijn de toekomst. Die positieve
benadering is ook te merken in
ons verlangen om ons toe te leggen op het essentiële van onze zending,
terwijl we ook mannen en vrouwen die niet tot de Sociëteit behoren,
aanmoedigen om grootmoedig deel te nemen aan Christus' zending.
We moeten ook de drie creatieve dimensies van onze
zending voor ogen houden die de laatste Algemene Congregatie heeft uitgewerkt
als antwoord op de vraag van de paus dat we een eigen bijdrage leveren voor de
nieuwe evangelisering. Onze zending integreert nabijheid bij en dienst aan de
armen. Het is een zending op basis van dialoog, die het evangelie niet oplegt
maar voorstelt in altijd nieuwe vormen van mededeelzaamheid en verbondenheid
met hen die anders geloven dan wij. Die zending brengt door de levende
processen van inculturatie, ook in eigen land, vandaag de gave van de
scheppende en verlossende liefde van Christus naar een wereld die dorst naar
God, ook als die alsmaar wegloopt van Gods evangelie. Bij lezing van de
jaarlijkse rapporten zien we dat de ingeslagen richtingen goed gekozen zijn en
gesteund worden. Maar er blijft nog veel ruimte voor creativiteit; we moeten
in ons werk ons nog radicaler en edelmoediger openstellen voor hem die de ware
'weg is die mensen naar het leven leidt' (Examen [101]).
Een ander teken van creativiteit is de wijze waarop
de Sociëteit heeft gereageerd op de uitnodiging tot communiteitsleven, waar
we samenkomen voor de zending in typische missionarissenstijl. Creatieve trouw
aan het ignatiaanse charisma kan niet de zaak zijn van één enkele geïsoleerde
jezuïet. Ze veronderstelt een eenheid van geest en hart, die belichaamd wordt
in het leven en de actie die we samen voltrekken als gezellen van Jezus. De
ex-officio-brieven van dit jaar geven inderdaad blijk van een reëel
verlangen, zowel van jongeren als van niet meer zo jongeren, om met elkaar de
oproep te delen van de Heer die ons een-maakt, alsook de zending die hij ons
door zijn Geest blijft toevertrouwen. Zelfs als we tijdens deze bijeenkomst
vooral interprovinciale en supraprovinciale samenwerking benadrukken, blijft
het waar dat we moeten kunnen rekenen op een Sociëteit en op gezellen die
leven in gemeenschappen van beschikbaarheid en broederlijkheid, van
solidariteit en gastvrijheid, als een hecht apostolisch korps. De samenwerking
die we verlangen zal een droom blijven zonder een volhardende inspanning om de
onderliggende problemen op te sporen van een communitaire levensstijl, die al
te vaak geïnfecteerd wordt door het virus van het individualisme. Maar ook op
dit domein hebben we creatief de weg ingeslagen naar de opbouw van
broederlijke en missionaire communiteiten, volgens onze manier van handelen.
Een laatste teken van creatieve trouw binnen de Sociëteit
en bij andere religieuze gemeenschappen is de biddende ontdekking van de
onderscheiding om te horen wat de Geest ons zegt, hier en nu. Het gebed dat
die onderscheiding begeleidt en leidt, vindt meer en meer zijn bron in het
woord van God, de Schrift. In de taal van Ignatius: we moeten voortdurend de
mysteries van het leven van onze Heer Jezus contempleren om hem intiemer te
leren kennen, maar ook om de manier te ontdekken waarop hij zijn van de Vader
ontvangen zending vervulde. We kunnen het Koninkrijk alleen dan opbouwen, als
we dat doen in de geest en naar de handelwijze van de Heer: zijn opvatting
over wat effectief is verschilt over de hele lijn van die waartoe we
natuurlijkerwijze zouden komen. De laatste Algemene Congregatie stelde:
'Vandaag, zoals altijd, wordt de jezuïtische manier van handelen gekenmerkt
door een diepe, persoonlijke devotie tot Jezus, die zelf de weg is' (539).
Maar die devotie slaat ook op de manier waarop de gezondene van de Vader zijn
zending vervulde. Contemplatie van de mysteries van Jezus' leven plaatst ons
bij hem: zo zullen we bij de problemen die speciaal onze zending hier en nu
betreffen -- de problemen namelijk van de interprovinciale en supraprovinciale
samenwerking -- door zijn Geest de keuzes kunnen maken die Christus maakte. En
we zullen die, in deze dagen van een nieuw millennium, maken in creatieve
trouw aan Ignatius, die ons dat alles heeft geleerd.
Dat is dus de bron van de trouw en de creativiteit
die we moeten verkennen en als nieuw in praktijk brengen, geïnspireerd door
de bekering van Ignatius, tot meerdere eer van God.
[end]